Omega Energietechniek, voorop in veiligheid!

Installatie uit 2012, keuring in 2026 — welke NEN 1010 geldt er eigenlijk?
Je kent het wel. Je staat bij een groepenkast die er prima uitziet. Netjes aangelegd, degelijk materiaal, alles keurig gedocumenteerd. De installatie is opgeleverd in 2012, gebouwd volgens NEN 1010:2007. Maar nu is het 2026. Je bent er voor een periodieke inspectie, of misschien voor een uitbreiding met een laadpaal of zonnepanelen. En dan komt de vraag: tegen welke norm toets je deze installatie eigenlijk?
Die vraag is minder simpel dan hij klinkt. En het verkeerde antwoord kan je duur komen te staan — of je klant onnodig op kosten jagen.
Het probleem: normen veranderen, installaties niet
Sinds die installatie in 2012 werd opgeleverd, is er het nodige veranderd. NEN 1010:2007 werd per 1 januari 2017 vervangen door NEN 1010:2015. Inmiddels is ook NEN 1010:2020+C1:2024 gepubliceerd. En dan is er nog de overstap van het Bouwbesluit 2012 naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), dat per 1 januari 2024 van kracht werd onder de Omgevingswet.
Maar die installatie uit 2012 staat er nog gewoon. Ongewijzigd. Functionerend. En het gebouw is niet verbouwd. Moet die installatie dan opeens aan de nieuwste norm voldoen?
Nee. En dat is precies waar het begrip “rechtens verkregen niveau” om de hoek komt kijken.

Wat is rechtens verkregen niveau?
Het Bbl definieert dit begrip in bepaling 5.5. Kort gezegd: bij een verbouwing mag het kwaliteitsniveau van een bouwwerk na de verbouwing niet lager zijn dan het niveau direct vóór die verbouwing. Dat klinkt logisch, maar de consequenties zijn verstrekkend.
Het rechtens verkregen niveau is begrensd door twee grenzen. Aan de onderkant: het niveau voor bestaande bouw — daar mag je nooit onder komen. Aan de bovenkant: het nieuwbouwniveau — daar hoef je nooit boven te zitten, ook niet als je installatie toevallig beter was dan de huidige nieuwbouweisen voorschrijven.
Voor onze installatie uit 2012 betekent dit: het rechtens verkregen niveau is het kwaliteitsniveau conform NEN 1010:2007, want dat was de wettelijk aangewezen norm toen de installatie werd aangelegd.
Wat veranderde er tussen de normversies?
Dit is waar het interessant wordt — en waar de NEN 1010:2015 een cruciale rol speelt. Want als je een bestaande installatie beoordeelt, moet je weten welke eisen erbij kwamen en welke veranderden.
De NEN 1010:2015 bevatte ten opzichte van de 2007-editie onder meer gewijzigde eisen voor aardlekbeveiliging, aangescherpte bepalingen voor badruimten, uitbreiding van de eisen voor PV-installaties en wijzigingen in de selectiviteitseisen. Bepaling 11.2 sub f was in de 2015-editie al gelijkluidend aan de latere versie: de norm is van toepassing op “wijzigingen of uitbreidingen van installaties, met inbegrip van delen van de bestaande installatie die door de wijzigingen of uitbreidingen worden beïnvloed.”
Maar hier zit een opvallend verschil. In de NEN 1010:2015 ontbreekt de opmerking die in de 2020+C1:2024-editie is toegevoegd bij bepaling 11.2 sub f, namelijk: “Het rechtens verkregen niveau volgens het Bbl bepaalt welke versies van NEN 1010 zijn toegelaten.” Die expliciete koppeling tussen de norm en het Bbl is pas sinds de 2020-editie in de normtekst opgenomen. In de 2015-editie werd wél verwezen naar het Bouwbesluit in de bibliografie en bij specifieke onderwerpen zoals brandklassen en medisch gebruikte ruimten, maar niet bij het toepassingsgebied zelf.
Dat maakt overigens voor de juridische werkelijkheid niet uit — het Bouwbesluit 2012 kende al het concept van het rechtens verkregen niveau. Maar het betekent wel dat installateurs die met de 2015-editie werkten, dit principe niet tegenkwamen in de normtekst. Dat verklaart deels waarom er nog steeds zoveel onduidelijkheid over bestaat.
Drie scenario’s, drie antwoorden
Laten we het concreet maken met drie situaties die je in de praktijk dagelijks tegenkomt.
Scenario 1: Periodieke inspectie, geen wijzigingen
Je voert een periodieke inspectie uit. De installatie is niet gewijzigd, er is niet verbouwd. In dat geval beoordeel je de installatie primair tegen de norm die gold ten tijde van aanleg — in ons geval NEN 1010:2007.
Zowel NEN 1010:2015 (opmerking bij bepaling 62.1.2) als NEN 1010:2020+C1:2024 (opmerking bij bepaling 6.5.1.2) zeggen hierover hetzelfde: “Bestaande installaties kunnen zijn ontworpen en aangesloten volgens eerdere versies van deze norm zoals die van toepassing waren in de tijd dat deze installaties werden ontworpen en geplaatst. Dit hoeft niet in te houden dat deze onveilig zijn.”
Let op: dit betekent niet dat je achterover kunt leunen. Je rapporteert wél afwijkingen ten opzichte van de huidige norm en kunt aanbevelingen doen om de installatie op te waarderen. Maar een tekortkoming ten opzichte van NEN 1010:2015 of 2020 is bij een ongewijzigde installatie uit 2012 geen normafwijking — het is een aanbeveling.
Scenario 2: Gedeeltelijke wijziging — een laadpaal erbij
Nu wordt het interessanter. Je klant wil een laadpaal laten plaatsen. Dat is een wijziging van de bestaande installatie. En dan gelden er andere regels.
Bepaling 11.2 sub f is in alle edities gelijkluidend: de norm is van toepassing op “wijzigingen of uitbreidingen van installaties, met inbegrip van delen van de bestaande installatie die door de wijzigingen of uitbreidingen worden beïnvloed.”
In de praktijk: de nieuwe eindgroep voor de laadpaal moet je aanleggen volgens de op dat moment wettelijk aangewezen editie van NEN 1010. Maar de bestaande installatie hoef je niet volledig op te waarderen naar het nieuwbouwniveau — mits de bestaande delen niet nadelig worden beïnvloed door de uitbreiding.
Dat moet je wél vaststellen. NEN 1010 bepaling 134.1.9 — in zowel de 2015- als de 2020-editie nagenoeg identiek geformuleerd — eist dat je verifieert dat de dimensionering en toestand van bestaand materieel geschikt is voor de gewijzigde omstandigheden. De 2015-editie voegt daar in bepaling 61.1.5 nog expliciet aan toe: “Bij een uitbreiding of wijziging van een bestaande installatie moet worden vastgesteld dat de uitbreiding of wijziging voldoet aan deze norm en dat de veiligheid van de bestaande installatie niet nadelig wordt beïnvloed.”
Concreet: is de bestaande hoofdverdeling gedimensioneerd op de extra belasting? Is de aardlekbeveiliging geschikt? Kan het voedingspunt de extra stroom aan? Die vragen moet je beantwoorden en documenteren.
Scenario 3: Volledige vernieuwing van de installatie
Stel, de installatie wordt compleet vervangen — inclusief alle bekabeling. Dan is bepaling 5.4 lid 3 van het Bbl duidelijk: bij het geheel vernieuwen van een bouwwerkinstallatie gelden de nieuwbouweisen. Je ontwerpt en installeert dan volledig volgens de op dat moment in de Omgevingsregeling aangewezen editie van NEN 1010.
En hier zit een belangrijke nuance. “Geheel vernieuwen” betekent echt álles — inclusief bedrading, bekabeling en infrastructuur. Vervang je de groepenkast maar gebruik je de bestaande bekabeling? Dan is er geen sprake van geheel vernieuwen en geldt het rechtens verkregen niveau.
Waarom dit ertoe doet
Het verschil tussen deze scenario’s is niet academisch. Het bepaalt of je klant een paar honderd euro kwijt is aan een aardlekschakelaar die naar de huidige norm vereist is, of tienduizenden euro’s aan een complete herinstallatie die juridisch helemaal niet hoeft.
Het bepaalt ook jouw aansprakelijkheid als installateur of inspecteur. Als je een installatie afkeurt op grond van de verkeerde normeditie, zit je fout. En als je een installatie goedkeurt terwijl je de invloed van een uitbreiding op het bestaande deel niet hebt beoordeeld, zit je ook fout.
Goede documentatie is daarbij onmisbaar. Leg vast onder welk normregime elk deel van de installatie valt. Noteer welke editie gold bij aanleg, welke bij de uitbreiding, en welke eisen je hebt getoetst. Dat is geen administratieve hobby — dat is je bewijs bij een discussie achteraf.
De kern
NEN 1010 verwijst in bepaling 11.2 sub f — in alle edities sinds 2007 — naar de toepasselijkheid bij wijzigingen en uitbreidingen. Sinds de 2020+C1:2024-editie is daar de expliciete opmerking aan toegevoegd dat het rechtens verkregen niveau volgens het Bbl bepaalt welke versies zijn toegelaten. Het Bbl geeft het kader. En de Omgevingsregeling bepaalt welke editie van NEN 1010 op welk moment geldig is.
Die drie bronnen moet je als installateur of inspecteur kennen en met elkaar kunnen verbinden. Niet om er een juridisch betoog van te maken, maar om de juiste beslissing te nemen bij die groepenkast waar je voor staat.
Wil je hier zeker van zijn? Bij Omega Energietechniek trainen we je op precies dit soort vraagstukken. In onze NEN 1010 opleidingen leer je niet alleen de norm kennen — je leert ‘m toepassen in de situaties die je dagelijks tegenkomt. Met praktijkcasussen, normverwijzingen en de interpretatie die je op de werkvloer nodig hebt.


