Omega Energietechniek, voorop in veiligheid!

Inspectie van Elektrische Arbeidsmiddelen: Hoe bepaal je de keuringstermijn conform NEN 3140?
Boormachines, verlengsnoeren, lasapparaten, handlampen – elektrische arbeidsmiddelen zijn op vrijwel elke werkplek aanwezig. De NEN 3140+A3:2019 schrijft voor dat deze middelen met een passende regelmaat worden geïnspecteerd. Maar hoe vaak is “passend”? En wie bepaalt dat? De norm laat die keuze niet aan het toeval over: bijlage K biedt een weegfactorensysteem waarmee de inspectietermijn objectief wordt vastgesteld. In deze blog leggen we uit hoe dat werkt.
Waarom inspecteren?
Het doel van regelmatige inspecties is helder: gebreken ontdekken die tijdens gebruik zijn ontstaan en gevaar opleveren (bepaling 5.102.2). Denk aan beschadigde aansluitleidingen, defecte trekontlastingen, oververhitting of gebrekkige isolatie. Bij twijfel over de veiligheid van een elektrisch arbeidsmiddel mag het niet worden gebruikt (bepaling 5.102.5).
Daarnaast geldt voor verplaatsbare arbeidsmiddelen die in de hand worden gehouden of veelvuldig worden aangeraakt: de gebruiker moet ze vóór elk gebruik visueel controleren op zichtbare beschadigingen (bepaling 5.102.6).

Wat wordt er geïnspecteerd?
De NEN 3140 onderscheidt twee niveaus van inspectie:
Visuele inspectie (bepaling 5.102.10) – hierbij wordt onder andere nagegaan of:
- De mechanische toestand en veiligheidsvoorzieningen in orde zijn
- Beschermings- en aardleidingen niet onderbroken zijn
- Aansluitleidingen niet zijn beschadigd of ondeugdelijk gerepareerd
- Er geen tekenen van oververhitting zijn
- Contactstoppen niet zijn beschadigd
- Het arbeidsmiddel wordt toegepast overeenkomstig het ontwerp
Inspectie door meting of beproeving (bepaling 5.102.11) – hierbij wordt gecontroleerd of voldaan is aan de eisen voor:
- De isolatieweerstand of de reële lekstroom
- De weerstand van beschermingsleidingen
- De juiste werking van aardlekbeveiligingen
- De juiste werking van veiligheidsketens en nulspanningsbeveiligingen
Het weegfactorensysteem van bijlage K
De kern van de inspectietermijnbepaling zit in bijlage K. Dit is een normatieve bijlage – en daarmee verplicht. Het systeem werkt met vier factoren die elk een weging krijgen:
Factor 1: Frequentie van gebruik
- Regelmatig (vaker dan 5× per jaar): weging 10
- Zelden (minder dan 5× per jaar): weging 0
- Bij stationaire apparatuur: altijd weging 0
Factor 2: Deskundigheid van de gebruikers
- Uitsluitend door deskundigen: weging 0
- Niet uitsluitend door deskundigen: weging 10
- Bij stationaire apparatuur en niet-deskundige gebruikers: weging 5
Factor 3: Omgeving
- Niet industrieel, schoon, droog, geen schadegevaar: weging 0
- Niet eenduidig vast te leggen, maar niet zwaar: weging 10
- Zwaar industrieel, vervuilend, bouwplaats: weging 15
Factor 4: Kans op beschadiging
- Bijzonder klein (bijv. beschermd verlengsnoer in kantoor): weging 0
- Klein maar reëel aanwezig (bijv. kleine werkplaats, servicebus): weging 10
- Groot (bijv. scheepswerf, bouwplaats): weging 15
De vier wegingen worden opgeteld tot een puntentotaal. Aan de hand van dit totaal wordt de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties afgelezen in figuur K.1 van de norm.
Praktijkvoorbeeld
Een accuboormachine die dagelijks wordt gebruikt (weging 10) door een mix van vakmensen en niet-deskundigen (weging 10) op een bouwplaats (weging 15) met groot beschadigingsrisico (weging 15) scoort een totaal van 50 punten. Volgens figuur K.1 resulteert dit in een korte inspectietermijn – in de praktijk circa 3 maanden.
Vergelijk dit met een printer in een kantooromgeving: zelden gebruikt (weging 0), door deskundigen (weging 0), schone droge omgeving (weging 0), bijzonder kleine kans op beschadiging (weging 0). Totaal: 0 punten – de langst mogelijke inspectietermijn.
Wanneer mag je afwijken?
De norm biedt ruimte als de risico’s beperkt zijn. Als de som van de weegfactoren kleiner is dan 21, mag de installatieverantwoordelijke besluiten om alleen visuele inspecties uit te voeren óf met steekproeven te werken conform bijlage J (bepaling 5.102.8).
Wie is verantwoordelijk?
De installatieverantwoordelijke moet volgens bepaling 5.102.7 bepalen en met redenen omkleed vastleggen:
- De uit te voeren inspecties
- De tijd tussen twee opeenvolgende inspecties
- De representatieve steekproef
- De toe te passen meetmethoden en eventueel meetinstrumenten
Inspecties van elektrische arbeidsmiddelen moeten worden uitgevoerd door voldoende onderrichte personen die deskundig zijn in het inspecteren van gelijksoortige arbeidsmiddelen, of door vakbekwame personen (bepaling 5.3.3.5.101).
Aantoonbaarheid
De inspectie moet op de werkplek aantoonbaar zijn (bepaling 5.102.9). Dit kan bijvoorbeeld met een keuringssticker op het apparaat met de datum van de volgende keuring, of met een register waarin de inspectiedatum, de volgende inspectiedatum en de goedkeuring zijn vastgelegd.
Conclusie
De keuringstermijn van elektrische arbeidsmiddelen is geen standaard jaarlijkse afspraak. De NEN 3140 vereist via bijlage K een onderbouwde afweging op basis van vier factoren. Een boormachine op een bouwplaats heeft een heel ander inspectie-interval dan een printer op kantoor. De installatieverantwoordelijke moet dit vastleggen, de inspectie moet aantoonbaar zijn, en bij twijfel mag het arbeidsmiddel simpelweg niet worden gebruikt.
Alles leren over NEN 3140? Volg één van onze NEN 3140 cursussen.


