Omega Energietechniek, voorop in veiligheid!

Werken in risicoverhogende omstandigheden: Wat eist de NEN 3140?
Een monteur in een kruipruimte. Een inspectie in een zwembadtechniekruimte. Laswerkzaamheden in een stalen tank. In al deze situaties gelden aanvullende eisen bovenop de standaard werkprocedures van de NEN 3140. Bepaling 6.101 behandelt werkzaamheden bij risicoverhogende omstandigheden – situaties waarin het elektrische gevaar groter is dan normaal. In deze blog bespreken we de drie hoofdcategorieën: nauwe geleidende ruimten, overige risicoverhogende omstandigheden en vochtige omgevingen.
Wat zijn risicoverhogende omstandigheden?
De NEN 3140 onderscheidt een brede lijst van omstandigheden die het risico verhogen. Bepaling 6.101.2.1 stelt dat bij werkzaamheden onder deze omstandigheden extra veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen, afhankelijk van de mate van risico, de aard van de werkzaamheden, het gebruik en de toestand van de installatie en de heersende omstandigheden.
De norm noemt onder andere:
- Ruimten met vocht (bad, douche, zwembad, sauna, jachthavens, kabelputten)
- Semi-permanente installaties (recreatieterreinen, stacaravans)
- Tijdelijke installaties (bouwwerken, sloopterreinen, kermissen, tentoonstellingen)
- Elektrische bedrijfsruimten en beproevingsruimten
- Accuruimten, accukasten en acculaadstations
- Ruimten met brand- of explosiegevaar
- Ruimten met geleidend stof, hoge temperatuur, onvoldoende licht of hoog geluidniveau
- Ruimten waar veel mensen gelijktijdig aanwezig zijn
- Medisch gebruikte ruimten
Bij regelmatig terugkerende werkzaamheden moeten de extra veiligheidsmaatregelen schriftelijk worden vastgelegd (bepaling 6.101.2.2).

Nauwe geleidende ruimten: de strengste eisen
Bepaling 6.101.1 beschrijft de strengste categorie. Bepalend is dat de persoon in contact is met metalen of andere geleidende delen en zich moeilijk kan onttrekken aan aanrakingsgevaar. Voorbeelden zijn kruipruimten, tanks, vaten, ketels, ruimten onder machines en staalconstructies.
Onder spanning werken is volledig verboden – ook aan SELV-, PELV- en FELV-ketens (bepaling 6.101.1.1).
Voor verplaatsbaar elektrisch materieel geldt een strenge hiërarchie:
- Eerste keuze: materieel met ingebouwde voedingsbron (accu)
- Als dat niet kan: materieel opgenomen in een SELV-keten
- Als dat ook niet kan: materieel opgenomen in een S-keten, maar dan met aanvullende voorwaarden: slechts één toestel per keten, en het toestel moet klasse II zijn
Handlampen mogen niet in S-ketens worden opgenomen (bepaling 6.101.1.3). Voedingsbronnen van SELV- en S-ketens moeten buiten de nauwe geleidende ruimte zijn geplaatst (bepaling 6.101.1.5).
Uitzondering bij groot vermogen: als materieel door de grootte van het vermogen geen deel kan uitmaken van een SELV- of S-keten, mag klasse I-materieel worden gebruikt, mits het geen elektrisch handgereedschap is, het is beveiligd door een aardlekschakelaar van ten hoogste 30 mA, de aardlekschakelaar dagelijks met de testknop wordt beproefd, het materieel uitsluitend spanningsloos wordt aangeraakt of verplaatst, en extra maatregelen zijn genomen tegen beschadiging van leidingen (bepaling 6.101.1.6).
Lastoestellen mogen worden gebruikt mits de lastransformatoren buiten de nauwe geleidende ruimte zijn geplaatst en de nullastspanning niet hoger is dan de SELV-spanning (bepaling 6.101.1.7).
Overige risicoverhogende omstandigheden
Bepaling 6.101.2.3 stelt dat in overige risicoverhogende omstandigheden verplaatsbaar elektrisch materieel alleen mag worden gebruikt als het:
- Is voorzien van een ingebouwde voedingsbron, of
- Is opgenomen in een SELV-keten, of
- Is opgenomen in een S-keten, of
- Is aangesloten op een aardlekschakelaar met een nominale aanspreekstroom van ten hoogste 30 mA
Als geen van deze opties mogelijk is, moet op basis van een risicobeoordeling een vergelijkbaar veiligheidsniveau worden bereikt.
Werkzaamheden in een vochtige omgeving
Bepaling 6.101.3 is kort maar krachtig: bij werkzaamheden in een vochtige omgeving mogen werkzaamheden in de gevarenzone alleen spanningsloos worden uitgevoerd. De enige uitzondering: metingen en beproevingen waarvoor het noodzakelijk is dat actieve delen onder spanning staan.
Daarnaast geldt een expliciet verbod: metingen en beproevingen in vochtige omgevingen zoals douchelokalen, zwembaden en sauna’s mogen niet worden uitgevoerd als de ruimten als zodanig worden gebruikt. Eerst de ruimte buiten gebruik stellen, dan pas meten.
Werkzaamheden in accuruimten
Bepaling 6.101.4 en bijlage N behandelen de specifieke gevaren van accuruimten, accukasten en acculaadstations. Het hoofdgevaar is het explosieve gasmengsel dat kan ontstaan tijdens en na het laden. Werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd als een explosief mengsel aanwezig kan zijn. Voldoende ventilatie is essentieel.
Aanvullende eisen uit bijlage N:
- Geen werkzaamheden aan ongeïsoleerde actieve delen tijdens en binnen twee uur na het laden (tenzij druppellader)
- Werkzaamheden aan open cellen: zuurbril, zuurvaste handschoenen en indien nodig een zuurpak
- Bij laswerkzaamheden aan loodaccu’s: masker tegen loodvergiftiging
- Verbindingen met accumulatoren niet verbreken of maken terwijl de laadketen onder spanning staat
Wie bepaalt de maatregelen?
De werkverantwoordelijke beoordeelt per werksituatie welke extra maatregelen nodig zijn. Bij regelmatig terugkerende werkzaamheden worden deze schriftelijk vastgelegd. De installatieverantwoordelijke en werkverantwoordelijke overleggen vooraf over de te nemen veiligheidsmaatregelen (bepaling 6.1.1).
Conclusie
Risicoverhogende omstandigheden vragen om meer dan de standaard werkprocedures. De NEN 3140 is helder: in nauwe geleidende ruimten is onder spanning werken volledig verboden en geldt een strikte hiërarchie voor het gebruik van elektrisch materieel. In vochtige omgevingen mag alleen spanningsloos worden gewerkt. In accuruimten is explosiegevaar het leidende risico. De rode draad: beoordeel de omstandigheden vóórdat je begint, kies de juiste beschermingsmaatregelen en leg deze vast.
Meer leren? Bekijk onze NEN 3140 cursussen.


