Omega Energietechniek, voorop in veiligheid!

Brandveiligheid en NEN 1010: de aangescherpte eisen die je moet kennen
Brandveiligheid is geen nieuw onderwerp in de NEN 1010, maar in de editie van 2020 — en de correctie C1:2024 — is er flink wat veranderd. Het onderwerp brandpreventie is verder uitgewerkt, er is aandacht voor vlamboogdetectie, en de eisen rondom het brandgedrag van kabels zijn in lijn gebracht met het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In dit blog bespreken we de belangrijkste wijzigingen en wat ze betekenen voor jouw dagelijkse praktijk.
Waarom zoveel aandacht voor brand?
Branden in elektrische installaties worden vaak veroorzaakt door vlambogen als gevolg van isolatiedefecten, losse verbindingen of beschadigde bedrading. Daarnaast speelt het brandgedrag van kabels een cruciale rol: welke stoffen komen vrij bij brand? Hoe snel plant het vuur zich voort via de kabelgoten? De NEN 1010 pakt deze risico’s nu structureler aan dan voorheen.
Vlamboogdetectie: nieuw in NEN 1010:2020
Een van de meest opvallende toevoegingen is de aanbeveling voor het gebruik van toestellen voor vlamboogdetectie (AFDD’s) in bepaling 421.7. Een vlamboog kan ontstaan door een seriële boogontlading (losse verbinding, beschadigde ader) of een parallelle boogontlading (isolatiedefect tussen geleiders). Het probleem: bij een seriële vlamboog is er geen lekstroom naar aarde, dus een aardlekschakelaar (RCD) detecteert de fout niet. En de stroom kan onder de aanspreekwaarde van de zekering blijven.

De norm beveelt AFDD’s aan voor eindgroepen in onder meer:
- Verblijfsobjecten met slaapgelegenheid
- Plaatsen met brandgevaar door opgeslagen of verwerkte materialen (BE2-locaties)
- Gebouwen met brandbare constructie (CA2-locaties)
- Plaatsen met onvervangbare goederen
Het is een aanbeveling, geen harde eis. Maar het signaal is duidelijk: de norm ziet vlamboogdetectie als een serieuze aanvulling op bestaande beveiligingsmiddelen. Let op: AFDD’s mogen niet worden toegepast in stroomketens van veiligheidsvoorzieningen, omdat lekstromen bij brand tot ongewenste uitschakeling kunnen leiden.
Brandgedrag van kabels: CPR, Bbl en NEN 8012
Een belangrijk aandachtspunt in de C1-correctie van 2024 is de afstemming met de Construction Product Regulation (CPR) en het Bbl. De bepalingen in rubriek 422, 521, 527 en bijlage 52.J zijn gecorrigeerd omdat de oorspronkelijke tekst van NEN 1010:2020 niet volledig in lijn was met de Nederlandse regelgeving.
Concreet betekent dit dat de norm nu verwijst naar het Bbl als bron voor de minimumeisen aan brand- en rookklasse van elektrische leidingen. Daarnaast wordt verwezen naar de herziene NEN 8012-1 (voorschriften voor leidingen uit het Bbl) en NEN 8012-2 (beperking van vervolgschade door brand en rook). Deze normen waren bij de publicatie van NEN 1010:2020 nog niet beschikbaar, maar zijn nu opgenomen als informatieve verwijzing.
Doorvoeringen en brandcompartimenten
De eisen voor het afdichten van doorvoeringen (rubriek 527.2) zijn onverminderd streng: op plaatsen waar leidingsystemen door vloeren, muren, daken of plafonds gaan, moeten de openingen zo worden afgedicht dat de brandwerendheid ten minste gelijk is aan die van het bouwelement zelf. Kabels die niet aan de minimumeisen voor brandveiligheid van het Bbl voldoen, mogen alleen worden gebruikt als korte aansluitlengte en mogen niet doorgaan naar andere brandcompartimenten.
Veiligheidsvoorzieningen en functiebehoud bij brand
Voor veiligheidsvoorzieningen die bij brand moeten blijven functioneren, stelt de norm dat leidingsystemen functiebehoud moeten hebben gedurende de tijd die de regelgeving voorschrijft — of minimaal 1 uur als een specifieke eis ontbreekt. Geschikte oplossingen zijn onder meer constructieve omhullingen, kabels die voldoen aan NEN-EN 50200 of NEN-EN 50577, en mineraal geïsoleerde kabels. Leidingsystemen van veiligheidsvoorzieningen moeten bovendien gescheiden zijn van die van andere voorzieningen.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De rode draad is helder: de norm dwingt installateurs om bewuster na te denken over brandpreventie bij het ontwerp en de materiaalkeuze. Dat begint bij de juiste kabelkeuze (raadpleeg NEN 8012-1 voor de Bbl-eisen), gaat via het correct afdichten van doorvoeringen, en loopt door tot het overwegen van AFDD’s in risicovolle situaties. De visuele inspectie (bepaling 6.4.2.3) vereist expliciet controle op brandwerende afschermingen, voorzorgsmaatregelen tegen brandverspreiding en bescherming tegen thermische invloeden.
Ken de eisen, kies de juiste materialen en documenteer je keuzes — dan zit je goed.
Bronnen: NEN 1010:2020+C1:2024


