De isolatieweerstandsmeting bij SCOPE 10 – wanneer is deze meting écht nodig?

Je staat in een productiebedrijf voor een SCOPE 10 inspectie. De groepenkast is open, je installatietester ligt klaar. En dan komt de vraag: moet ik nu op elke eindgroep een isolatieweerstandsmeting uitvoeren? Of mag ik selectief te werk gaan?

Het antwoord is genuanceerder dan je misschien denkt. TD14 stelt namelijk dat een isolatieweerstandsmeting zelden noodzakelijk is op de gehele elektrische installatie. Maar wanneer is die meting dan wél nodig? En hoe classificeer je een te lage isolatieweerstand volgens IB22?

Wat zegt TD14 precies?

In Bijlage 2 van TD14 staat bij bepaling 4.4.4 (Uitwendige invloeden) het volgende: elektrisch materieel mag geen isolatiefout hebben. De beoordelingsmethode is een meting van de isolatieweerstand.

Maar dan komt de aanvullende eis: het bepalen óf een meting van isolatieweerstand moet worden uitgevoerd is afhankelijk van het risico op brand. Een meting van isolatieweerstand is zelden noodzakelijk op de gehele elektrische installatie.

TD14 noemt expliciet installaties met een verhoogd risico waar je de isolatieweerstand wél moet meten. Denk aan veestallen en bakkerijen. Waarom juist deze locaties? Omdat daar factoren aanwezig zijn die de kans op brand vergroten: stof, vocht, warmte en brandbare materialen in de directe omgeving.

VOP en VP

De technische eisen

Wanneer je de isolatieweerstand meet, gelden de volgende specificaties uit NTA 8220:

De isolatieweerstand wordt gemeten tussen alle actieve geleiders die kunnen worden gescheiden van de netspanning, ten opzichte van de beschermingsgeleider. De meetspanning bedraagt 250 VDC en de waarde op elke eindgroep moet 230 kΩ of hoger zijn.

Die 230 kΩ komt voort uit de vuistregel: ten minste 1000 Ω per volt aan nominale spanning. De isolatieweerstand bij 230 V moet dan minimaal 230.000 Ω zijn, oftewel 230 kΩ.

Wanneer wél meten?

De risicogerichte aanpak van TD14 betekent dat je als inspecteur moet inschatten waar het brandrisico door een isolatiefout het grootst is. factoren die het risico verhogen zijn onder meer omgevingen met stof of brandbare materialen zoals hout, papier, hooi of kunststof, ruimten waar vocht, bijtende dampen of stootbelasting voorkomen, locaties met levende have of kweekplanten en installaties in de buurt van warmtebronnen.

Als je constateert dat één of meer van deze factoren aanwezig zijn, is een isolatieweerstandsmeting op die eindgroepen noodzakelijk. Bij een standaard
kantooromgeving zonder bijzondere risicofactoren kun je de meting achterwege laten, mits je dit met redenen omkleed in je inspectieplan.

Hoe classificeer je een te lage isolatieweerstand met IB22?

Stel, je meet een isolatieweerstand van 150 kΩ op een eindgroep in een veestal. Dat is onder de grenswaarde van 230 kΩ. Hoe classificeer je deze constatering?

Een isolatiefout valt onder Groep B van IB22: Brand door elektrisch materieel. De classificatie hangt af van de ernst van de situatie.

Bij classificatie B1 (rood/ernstig) gaat het om elektrisch materieel dat de toegestane temperatuur overschrijdt. Bij B2 (oranje/serieus) vertoont het materieel hitteverschijnselen of een temperatuurgradiënt, maar overschrijdt het nog niet de toegestane temperatuur. Bij B3 (geel/gering) vertoont het materieel geen hitteverschijnselen maar wordt het oneigenlijk gebruikt of is er een defect aanwezig. Bij B4 (blauw/opmerking) vertoont het materieel een defect maar wordt geen temperatuurverhoging verwacht.

Een te lage isolatieweerstand zonder zichtbare hitteverschijnselen classificeer je doorgaans als B3: er is een defect (de isolatiefout), maar er zijn nog geen hitteverschijnselen. Zijn er wél tekenen van oververhitting? Dan wordt het B2 of zelfs B1.

Wat betekent dit voor de praktijk?

De consequentie van een B3-classificatie is dat de constatering schriftelijk moet worden vastgelegd in het inspectierapport. De richttermijn voor herstel is de overeengekomen termijn, of binnen 3 maanden als er geen specifieke afspraak is gemaakt.

Bij een B2-classificatie geldt dezelfde termijn, maar de urgentie is hoger omdat er al fysieke verschijnselen zijn. Bij B1 moeten er direct maatregelen worden genomen en moet de constatering mondeling én schriftelijk worden gemeld.

De valkuil: te veel of te weinig meten

Sommige inspecteurs meten standaard elke eindgroep. Dat kost tijd en is volgens TD14 niet altijd nodig. Anderen slaan de meting consequent over. Dat is riskant als er wél verhoogde risicofactoren zijn.

De kunst is om je beslissing te onderbouwen. Leg in je inspectieplan vast waarom je in een bepaalde situatie wel of geen isolatieweerstandsmeting uitvoert. Dat voorkomt discussie achteraf en toont aan dat je de risicogerichte aanpak van NTA 8220 beheerst.

Wil je hier meer over leren?

Bij Omega Energietechniek behandelen we in onze SCOPE 10 opleiding uitgebreid wanneer welke metingen noodzakelijk zijn en hoe je constateringen correct classificeert met IB22. Je leert niet alleen de theorie, maar oefent ook met praktijkcasussen zodat je op locatie direct de juiste beslissingen neemt.

Iris Quak
Iris Quak