Overspanningsbeveiliging verplicht? Wat NEN 1010 écht van je verwacht als het gaat om SPD’s

Stel je voor: een blikseminslag op een kilometer afstand. Niet eens in de buurt. Maar de overspanningspuls raast door het net, bereikt de verdeelinrichting van je klant en blaast de omvormer van het PV-systeem, de domoticacontroller en de laadpaal in één klap naar de eeuwige jachtvelden. Schade: duizenden euro’s. En dan de vraag die je als installateur niet wilt horen: “Had dit voorkomen kunnen worden?”

Ja. Met een SPD — een toestel voor overspanningsbeveiliging. En nee, dat is niet optioneel, NEN 1010:2020+C1:2024 is daar helder over.

Rubriek 443: hier begint het

Alles rondom overspanningsbeveiliging in NEN 1010 begint bij rubriek 443 — voluit: “Beveiliging tegen transiënte overspanningen van atmosferische oorsprong of als gevolg van schakelhandelingen.” Deze rubriek is in de huidige editie voor een groot deel herschreven. Dat is niet voor niets. Moderne installaties zitten vol gevoelige elektronica: omvormers van PV-systemen, warmtepompen met frequentieregeling, slimme thermostaten, EV-laadpunten. Allemaal materieel dat al bij een relatief bescheiden overspanning schade kan oplopen.

De bescherming wordt fysiek gerealiseerd door SPD’s. De keuze en installatie daarvan is uitgewerkt in rubriek 534 van NEN 1010. Samen vormen rubriek 443 en 534 de ruggengraat van het overspanningsverhaal.

VOP en VP

Wanneer is een SPD verplicht?

Rubriek 443.4 van NEN 1010 stelt dat overspanningsbeveiliging verplicht is als de gevolgen van overspanning invloed hebben op:

  • menselijk leven (denk aan veiligheidsdiensten, medische zorgvoorzieningen);
  • publieke diensten en erfgoed (datacentra, musea);
  • commerciële of industriële activiteit (hotels, banken, boerderijen);
  • een groot aantal personen (scholen, kantoren, grote gebouwen).

Valt je installatie niet in een van deze categorieën? Dan schrijft 443.4 voor dat je een risico-evaluatie uitvoert volgens 443.5. En hier komt het: doe je die evaluatie niet, dan is overspanningsbeveiliging alsnog verplicht. Zo staat het letterlijk in de norm.

Type 1, 2 of 3: wat zegt rubriek 534?

Rubriek 534.4.1 beschrijft welk type SPD je wanneer toepast:

Type 2-SPD — De standaardoplossing. Verplicht voor bescherming tegen gevolgen van bliksem en tegen overspanningen als gevolg van schakelhandelingen. Wordt geplaatst zo dicht mogelijk bij het voedingspunt van de installatie.

Type 1-SPD — Vereist wanneer het gebouw is voorzien van een extern bliksembeveiligingssysteem, of wanneer bescherming tegen de gevolgen van directe inslag is voorgeschreven. Wordt eveneens bij het voedingspunt geplaatst. Bijlage 53.C geeft aanvullende informatie voor installaties die worden gevoed door bovengrondse leidingen.

Type 3-SPD — Voor de bescherming van specifiek gevoelig materieel. Wordt geplaatst dicht bij het te beschermen toestel, bijvoorbeeld een server of medisch apparaat. Cruciaal: een type 3-SPD mag nooit zelfstandig worden toegepast. Er moeten altijd SPD’s bij het voedingspunt zijn geïnstalleerd, en de type 3 moet daarmee gecoördineerd zijn (534.4.4.5).

Wanneer een type 1-SPD niet het juiste beschermingsniveau kan bieden, moet deze worden gecombineerd met een gecoördineerde type 2- of type 3-SPD. Zo schrijft 534.4.1 het voor.

De aansluitvarianten: 534.4.2

NEN 1010 onderscheidt twee aansluitvarianten:

Aansluitvariant 1: SPD’s tussen actieve leidingen en PE (of PEN). Dit levert hoofdzakelijk common-modebescherming op — bescherming van de isolatie van de installatie. Pas je toe aan het begin van de installatie of stroomketen.

Aansluitvariant 2: SPD’s tussen actieve leidingen onderling en PE. Dit geeft een combinatie van common-mode- én differential-modebescherming — gericht op bescherming van specifiek materieel.

Bescherming tussen actieve leidingen en PE is verplicht (inclusief tussen nul en PE als er een nulleiding aanwezig is). Bescherming tussen fase en nul wordt aanbevolen. Bescherming tussen faseleidingen onderling is optioneel.

SPD’s en aardlekbeveiliging (RCD’s): 534.4.6 en 534.4.7

Hier zit een van de meest gemaakte fouten in de praktijk. Het samenspel tussen SPD’s en RCD’s is afhankelijk van het stroomstelsel.

TN-stelsels: Foutbescherming bij falen van de SPD wordt in het algemeen geborgd door het beveiligingstoestel tegen overstroom aan de voedende zijde.

TT-stelsels: Twee opties: a) SPD’s aan de belastingszijde (stroomafwaarts) van de RCD plaatsen, of b) SPD’s aan de voedende zijde (stroomopwaarts) van de hoofd-RCD plaatsen, maar dan alleen met aansluitvariant 2 en moet worden voldaan aan bepaling 411.4.1.

Tabel 534.5 maakt dit concreet: bij een TT-stelsel met aansluitvariant 1 mag de SPD uitsluitend aan de belastingszijde van de RCD worden geplaatst.

En let op: wanneer SPD’s stroomafwaarts van een RCD zijn geïnstalleerd, moet die RCD een stootstroomvastheid hebben van minimaal 3 kA (8/20 µs). RCD’s van het type S conform NEN-EN-IEC 61008-1 voldoen hier standaard aan. Het installeren van een type 1-SPD stroomafwaarts van een RCD wordt door de norm afgeraden (534.4.7).

De 0,5-meterregel: 534.4.8

Dit is het punt waar de theorie de praktijk raakt — letterlijk. Rubriek 534.4.8 stelt dat de totale leidinglengte van het SPD-samenstel, gemeten van aansluitpunt A tot aansluitpunt B (zie figuur 534.8), niet groter mag zijn dan 0,5 meter.

Waarom is dat zo kritisch? Een rechte kabel van 1 meter met een ontlaadstroom van 10 kA (8/20 µs) veroorzaakt al een spanningsval van circa 1.000 volt. Dat is geen abstract getal — dat is het verschil tussen een beschermde en een onbeschermde installatie.

Is de 0,5 meter niet haalbaar? Dan geeft NEN 1010 drie opties:

  • Kies een SPD met een lager spanningsbeschermingsniveau Up.
  • Installeer een tweede gecoördineerde SPD dicht bij het te beschermen materieel.
  • Pas de installatie volgens figuur 534.9 toe, met een subaardrail (SAR) zo dicht mogelijk bij de SPD.

Om de totale lengte te bepalen mogen de leidinglengten van de hoofdaardrail naar de subaardrail en van de subaardrail naar de PE-leiding buiten beschouwing worden gelaten. Dat biedt ruimte in de praktijk.

Kerndoorsnedes: 534.4.10

De minimale kerndoorsnedes van de aansluitleidingen zijn vastgelegd in rubriek 534.4.10:

Aansluitleidingen tussen SPD en hoofdaardrail of PE-leiding:

  • Type 1-SPD: minimaal 16 mm² koper
  • Type 2-SPD: minimaal 6 mm² koper

Aansluitleidingen tussen SPD en faseleiding (via beveiligingstoestel):

  • Type 1-SPD: minimaal 6 mm² koper
  • Type 2-SPD: minimaal 2,5 mm² koper

De faseaansluitleidingen moeten daarnaast zijn gedimensioneerd voor de te verwachten kortsluitstroom, conform 433.3.1 b).

Werkzame beschermingsafstand: 534.4.9

Een punt dat veel installateurs over het hoofd zien. Wanneer de afstand tussen de SPD en het te beschermen materieel groter is dan 10 meter, nemen de beschermende werking af. Rubriek 534.4.9 geeft drie oplossingsrichtingen:

  1. Een aanvullende SPD zo dicht mogelijk bij het gevoelige materieel. Het spanningsbeschermingsniveau Up mag niet hoger zijn dan de toegekende stoothoudspanning Uimp van dat materieel.
  2. Een eenpoorts-SPD bij het voedingspunt met een Up van maximaal 50% van de Uimp, gecombineerd met afgeschermde bekabeling in de gehele te beschermen stroomketen.
  3. Een tweepoorts-SPD bij het voedingspunt met een Up niet hoger dan de Uimp, eveneens met afgeschermde bekabeling.

PV-systemen: hoofdstuk 712 is onmisbaar

Bij PV-installaties speelt overspanningsbeveiliging op twee fronten: de AC-zijde én de DC-zijde. Rubriek 712.443.101 stelt dat waar overspanningsbeveiliging vereist is op basis van rubriek 443, deze ook moet worden toegepast aan de DC-zijde.

Is beveiliging volgens rubriek 443 niet vereist? Dan schrijft 712.443.102 een aparte risicobeoordeling voor, gebaseerd op de kritische lengte Lcrit in vergelijking met de feitelijke kabellengte L. De Lcrit is afhankelijk van het type gebouw en de blikseminslagdichtheid (tabel 712.1). Is L gelijk aan of groter dan Lcrit? Dan zijn SPD’s aan de DC-zijde noodzakelijk.

Rubriek 712.534.102 is glashelder over de eisen aan DC-zijde:

  • SPD’s moeten voldoen aan NEN-EN-IEC 61643-31 en NEN-EN-IEC 61643-32.
  • Varistors die standaard in een omvormer zitten worden niet beschouwd als toestellen voor overspanningsbeveiliging. Dat staat er letterlijk.
  • Alleen als de fabrikant opgeeft dat de interne SPD’s geschikt zijn voor toepassing aan de DC-zijde van het PV-systeem, mogen ze als overspanningsbeveiliging worden aangemerkt.

Het spanningsbeschermingsniveau Up moet worden afgestemd op de stootspanningsvastheid Uimp van panelen en omvormer. Levert de fabrikant die informatie niet? Dan biedt tabel 712.2 richtwaarden op basis van de maximale onbelaste spanning UOC MAX. De minimale nominale ontlaadstroom In voor SPD’s van beproevingsklasse II is 5 kA.

Keuze spanningsbeschermingsniveau: 534.4.4.2

Het spanningsbeschermingsniveau Up van de SPD moet passen bij de toegekende stoothoudspanning Uimp behorend bij overspanningscategorie II (tabel 534.1). De aanbeveling van NEN 1010 is om het spanningsbeschermingsniveau te beperken tot 80% van de stoothoudspanning. Het mag in geen geval hoger zijn dan de Uimp van het te beschermen materieel.

Bij aansluitvariant 2 — waar SPD’s in serie staan — moet het gecombineerde spanningsbeschermingsniveau van alle SPD’s samen voldoen aan deze eis.

Bedrijfsspanning: 534.4.4.3

De maximale bedrijfsspanning Uc van de SPD moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarden in tabel 534.2, afhankelijk van het stroomstelsel. Voor een TN- of TT-stelsel geldt:

  • Fase-nul, fase-PE, fase-PEN: Uc ≥ 1,1 × U₀
  • Nul-PE: Uc ≥ U₀/√3

Waarbij U₀ de nominale spanning ten opzichte van aarde is (in Nederland: 230 V).

Nominale ontlaadstroom: 534.4.4.4

Op of nabij het voedingspunt gelden minimale waarden voor de nominale ontlaadstroom.

Type 2-SPD’s (tabel 534.3): minimaal 5 kA voor de verbindingen fase-nul en fase-PE. Bij aansluitvariant 2 loopt de eis voor de verbinding nul-PE op tot 10 kA (eenfase) of 20 kA (driefase).

Type 1-SPD’s (tabel 534.4): bij gebouwen met bliksembeveiliging is de minimale impulsontlaadstroom Iimp per aansluiting 12,5 kA, met uitzondering van nul-PE bij aansluitvariant 2 waar deze oploopt tot 25 kA (eenfase) of 50 kA (driefase).

Wat betekent dit voor jou?

Overspanningsbeveiliging is geen luxe meer, maar een fundamenteel onderdeel van elke installatie. NEN 1010:2020+C1:2024 geeft je via rubrieken 443, 534 en 712 een compleet kader — van de risico-evaluatie tot de laatste millimeter aansluitleiding. De norm laat weinig ruimte voor interpretatie: de eisen zijn concreet, meetbaar en controleerbaar.

Maar dan moet je die eisen wel kennen. En dat is precies waar het in de praktijk nog te vaak misgaat.

Wil je rubrieken 443, 534 en 712 van NEN 1010 écht doorgronden? Bij Omega Energietechniek bieden we praktijkgerichte NEN 1010 opleidingen waarin je leert hoe je deze normeisen correct toepast op de werkvloer. Geen droge theorie, maar direct toepasbare kennis van ervaren vakdocenten uit de praktijk.

Allart de Jong
Allart de Jong