Laadpaal op de parkeerplaats aanleggen? NEN 1010 hoofdstuk 722 stelt eisen die je niet mag overslaan

De directie wil laadpalen op het bedrijfsterrein — snel, want het wagenpark elektrificeert in hoog tempo. Een monteur trekt een kabel vanaf de bestaande groepenkast, hangt er een reguliere aardlekschakelaar aan en klaar is Kees. Behalve dat het niet klaar is: NEN 1010 hoofdstuk 722 stelt specifieke eisen aan laadpunten voor elektrische voertuigen die wezenlijk afwijken van een ‘gewone’ groep. Mis je die eisen, dan loop je een reëel risico op elektrocutiegevaar door een onopgemerkte gelijkstroomfout.

Wat schrijft NEN 1010 voor over laadpunten voor elektrische voertuigen

Hoofdstuk 722 van NEN 1010:2020+C1:2024 is speciaal toegevoegd voor de aanleg van laadpunten voor elektrische voertuigen en bevat een reeks aanvullende eisen bovenop de algemene installatievoorschriften:

  • Eigen eindgroep verplicht (art. 722.314.101): elk laadpunt moet worden gevoed vanuit een aparte stroomketen die uitsluitend is bedoeld voor het aansluiten van elektrische voertuigen — nooit gedeeld met andere apparatuur
  • Gelijktijdigheidsfactor van 1 (art. 722.311): omdat alle laadpunten tegelijk gebruikt kunnen worden, moet de installatie worden gedimensioneerd alsof dat ook gebeurt, tenzij er een lastregelsysteem is geïnstalleerd
  • Eigen aardlekbeveiliging per aansluitpunt (art. 722.531.3.101): elk AC-aansluitpunt moet een eigen RCD hebben van ten minste type A met een aanspreekstroom van maximaal 30 mA — deze RCD mag geen andere apparatuur beschermen
  • Bescherming tegen DC-foutstromen (art. 722.531.3.101): bij een laadpunt met stopcontact of voertuigconnector volgens de NEN-EN-IEC 62196-reeks is een RCD type B verplicht, óf een RCD type A/F aangevuld met een los DC-foutstroomdetectiesysteem (RDC-DD)
  • Eigen overstroombeveiliging per aansluitpunt (art. 722.533.101)
VOP en VP

De eis rond DC-foutstromen is cruciaal en wordt vaak over het hoofd gezien. Een gewone RCD type A detecteert wisselstroomfouten en pulserende gelijkstroomfouten, maar wordt ‘blind’ bij een zuivere gelijkstroomfout van meer dan 6 mA — precies het type fout dat kan ontstaan in de laadelektronica van een voertuig. Zonder een RCD type B of een aanvullend RDC-DD-systeem kan de bestaande aardlekbeveiliging bij zo’n fout niet meer uitschakelen, terwijl de gebruiker denkt beschermd te zijn.

Na aanleg stopt de zorgplicht niet bij het aansluiten van de laadpaal. Net als elke andere nieuwe of uitgebreide elektrische installatie valt een laadpunt onder de opleveringsinspectie van NEN 1010 deel 6: vóór ingebruikname moet door meting en beproeving worden geverifieerd dat de installatie daadwerkelijk voldoet aan de eisen uit hoofdstuk 722, inclusief de werking van de RCD’s en de DC-foutstroombescherming. Alleen een visuele oplevering — ‘het lampje brandt groen’ — is onvoldoende bewijs van conformiteit.

Hoe gaat dit in de praktijk fout?

Voorbeeld 1: Een wagenparkbeheerder laat vier laadpalen aanleggen op het parkeerterrein, allemaal gevoed vanuit dezelfde bestaande groep met één centrale RCD type A. Bij normaal gebruik lijkt alles te werken. Maar zodra alle vier de voertuigen tegelijk laden, wordt de kabel structureel overbelast — de installatie was nooit gedimensioneerd op een gelijktijdigheidsfactor van 1. Bovendien beschermt één centrale RCD niet zoals art. 722.531.3.101 vereist: elk aansluitpunt moet zijn eigen RCD hebben.

Voorbeeld 2: Bij een kantoorpand wordt een snellaadpunt met voertuigconnector geïnstalleerd met alleen een standaard RCD type A, zonder aanvullende DC-foutstroombeveiliging. Bij een interne fout in de laadkabel ontstaat een gelijkstroomlekstroom van 15 mA. De RCD type A detecteert dit niet. Pas bij een Scope 8-inspectie van de installatie wordt de ontbrekende DC-foutstroombescherming als bevinding vastgesteld.

Veelgemaakte fout: denken dat een laadpaal ‘gewoon een stopcontact met meer vermogen’ is. Hoofdstuk 722 behandelt het laadpunt als een aparte categorie met eigen risico’s — vooral door de gelijkstroomcomponenten in de voertuiglader — en dat vertaalt zich in aanvullende, niet-optionele eisen.

Wat zijn de risico’s van een niet-conforme laadinstallatie?

  • Onopgemerkte DC-foutstroom → RCD schakelt niet uit → reëel elektrocutiegevaar voor de gebruiker van de laadpaal
  • Onderdimensionering door verkeerde gelijktijdigheidsfactor → structurele overbelasting van kabels en hoofdaansluiting
  • Gedeelde RCD over meerdere laadpunten → één storing schakelt alle laadpunten tegelijk uit, met bedrijfsschade tot gevolg
  • Niet-conforme installatie ontdekt tijdens keuring of na een incident → aansprakelijkheid voor de installateur en mogelijk geen verzekeringsdekking

Jouw actieplan voor een NEN 1010-conforme laadinstallatie

  • Geef elk laadpunt een eigen eindgroep met eigen overstroombeveiliging en eigen RCD conform art. 722.314.101 en 722.533.101
  • Reken de installatie door op een gelijktijdigheidsfactor van 1, tenzij een lastregelsysteem daadwerkelijk aanwezig is
  • Controleer per laadpunt of een RCD type B nodig is, of dat een RCD type A/F met RDC-DD volstaat — afhankelijk van het type stopcontact of voertuigconnector
  • Kies materieel met de juiste IP-beschermingsgraad (minimaal IPX4/IP4X) bij buitenopstelling en bescherm tegen stootbelasting op parkeerterreinen (IK07)
  • Laat de installatie na aanleg toetsen via de reguliere opleveringsinspectie van NEN 1010 deel 6, vóór ingebruikname

Conclusie: een laadpaal is pas veilig als de gelijkstroom is meegerekend

De elektrificatie van wagenparken gaat hard, maar de norm loopt niet achter: hoofdstuk 722 van NEN 1010 geeft precies aan waar een laadpunt aan moet voldoen. Wie deze eisen negeert, installeert een systeem dat er veilig uitziet maar het bij een gelijkstroomfout laat afweten.

Allart de Jong
Allart de Jong

Hoofdschakelaar bij Omega Energietechniek (CEO)